Fragmenten uit Zwartboek adoptie

‘Na de bevalling moesten moeders zo snel mogelijk weg om ruimte te maken voor nieuwe. ‘Meisjes ruimen’, werd dat genoemd. Ondertussen bleven baby’s lang in Moederheil en dat had een aantal redenen. Om de schoorsteen te laten roken moest het huis klanten hebben. Hoe meer er waren en hoe langer ze bleven, hoe meer subsidie kon worden opgestreken. Sommige ouders betaalden de verpleegkosten uit eigen zak of hun dochters moesten ervoor werken. Het was een publiek geheim dat adoptieouders voor de baby’s moesten betalen. Soms moest een lastige situatie worden opgelost en daar gingen ook flinke bedragen in om. Zonder die extra’s kon Moederheil het financieel niet bolwerken.’

‘Het was ook schrijnend als bleek dat de moeder na de bevalling snel weg moest omdat het een groot geheim was waar in alle talen over moest worden gezwegen. De baby bleef moederziel alleen achter. Het kon gebeuren dat echt niemand iets afwist van het kindje. Het zou volwassen worden en nooit weten waar het vandaan kwam.’

‘In De Bocht was ik na het allereerste bezoek van de maatschappelijk werker al een aantal keren geweest voor een bezoek aan de verloskundige. Ik kreeg niet alleen lichamelijk onderzoek, maar ook werden er allerlei vragen aan me gesteld door wildvreemde mensen. Waarom ik afstand deed. Of ik wist dat ik mijn kind na de afstand nooit meer zou zien? En het kind mij ook niet? Van dat soort vragen zakte de moed me in de schoenen. Ik was totaal in de hoek gedreven en nu vroegen ze me of ik er maar even uit wilde komen. ‘Je ziet je kind nooit meer terug’, hadden ze gezegd. Dat is toch ontzettend wreed? Waarom konden ze me niet een beetje hoop en bemoediging geven?’

‘Ik heb er niet over gedacht om mijn zoon terug te halen. Ik verkeerde in de veronderstelling dat hij allang was geadopteerd door een liefdevol gezin. Dat hadden ze tegen me gezegd bij De Bocht. Pas vele jaren later ben ik erachter gekomen dat hij ernstig ziek is geworden en als kleintje jarenlang is verpleegd in een tehuis in Breda. Moederheil heette het. Mijn baby was zonder mijn medeweten moederloos en liefdeloos achtergelaten. Daar zou ik nooit voor hebben getekend. Ook was het nooit de bedoeling geweest dat hij in een gezin terecht zou komen waar de erkenning van de adoptiekinderen zwaar te wensen overliet.’

‘Als je geschikte ouders had geselecteerd, leverde je nazorg tot anderhalf jaar na de uitplaatsing. Dat liep meestal gelijk met de overdracht van de voogdij naar de adoptieouders. Die nazorg had niet veel om het lijf. In die tijd wilde je je niet bemoeien met andermans zaken. Dat werd gewoon niet van je verwacht. Je kon niet zomaar gaan observeren of navraag doen. Dat werd beslist niet op prijs gesteld. Adoptie leek me een uitkomst voor zowel afstandsmoeders, afstandskinderen als adoptieouders. Ik was jong en kende maar één perspectief, namelijk dat van de wensouders.’

‘In de directeurskamer werden mensen ontvangen die hun dossier wilden inzien. Meestal waren het gewezen afstandskinderen. Sommigen waren al voor de Tweede Wereldoorlog geboren. Er was veel gedoe over de inzage. Het fijne weet ik er niet van. Dat werd mij niet verteld. Over de dossiers werd geheimzinnig gedaan. Ik kwam ze op verschillende plekken tegen. Dat ben ik niet vergeten. Sommige lagen in de oude kapel maar ik trof ze ook aan in de kelders en in de directiekamer. Af en toe moest ik een stapel verplaatsen. Ooit is er wateroverlast geweest waardoor een stuk of wat dossiers beschadigd zijn geraakt. Het viel reuze mee, alleen zal het maar net jouw dossier zijn. Daar doe je helaas weinig aan.’

‘Ik heb geen idee welke maatregelen er werden getroffen als het een gecompliceerde bevalling betrof of als de baby een slechte start had. Alles wat bij ons thuis gebeurde werd namelijk angstvallig geheimgehouden. Niemand in de stad wist dat achter de deur van de villa meer gebeurde dan de naam deed vermoeden. Alleen onze achterburen waren op de hoogte en een paar notabelen uit het dorp. Pas veel later is me duidelijk geworden dat al die schimmigheid te maken had met de adoptiewetgeving van toen. Baby’s werden onder geheimhouding afgestaan en de identiteit van de moeders moest ten koste van alles worden beschermd.’

‘Mijn oudere broer heeft een andere geboortemoeder dan ik. Na een verblijf van drie jaar in een Limburgs doorgangshuis was hij in 1966 ter adoptie opgegeven. Twee jaar later, in 1968, kozen mijn adoptieouders mij uit op een zaal met baby’s in hetzelfde tehuis. Dat was negen maanden nadat mijn moeder van mij was bevallen. Mijn adoptiemoeder zei dat ik het liefste gezichtje had van allemaal, dus dat beloofde wat. Mijn broer was een braaf kind en daar kon ik niet tegenop. Het was niet dat ik niet lief kon zijn. Ik piekerde me suf hoe ik mijn adoptiemoeder tevreden kon stellen. Volgens haar lag het probleem bij mij. Ik speelde niet met poppen en stond nooit voor de spiegel. Mijn adoptiemoeder had verwachtingen van mij waaraan ik onmogelijk kon voldoen. Als kind wist ik al dat het een kansloos verhaal was, zij en ik. Als ik haar teleurstelde zei ze: ‘Ga jij maar terug naar waar je vandaan komt’.’

‘Onder collega’s spraken wij over ‘wortelzoekers’. Het is vakjargon. Wij doelden ermee op geadopteerden die op zoek gaan naar hun biologische familie. Als raadsmedewerker vroeg je de beschikbare dossiers op. Je mocht niet zomaar alles delen. Eerst moest je de stukken zelf doorlezen. Dat vond ik bijzonder ongemakkelijk. Ik voelde me een voyeur. Je neemt kennis van de meest oorspronkelijke en intieme details over iemands leven, terwijl die ander er zelf geen weet van heeft. Daarna ging je de geadopteerde bevragen. Je moest oppassen dat je je niet versprak en zorgen dat je de juiste vragen stelde. Als je een volledig beeld had van wat de ander wist kon je de informatie verstrekken waarvoor de afstandsmoeder toestemming had gegeven. Al het andere moest je achterhouden. Ons was verteld dat die moeders hadden getekend voor geheimhouding.’

‘Mij staat helder voor de geest hoe de griffier met een pen ter rechtszitting de geboorteakte overschreef met de namen van de adoptieouders. Door de biologische ouders gegeven geboortenamen werden zonder pardon doorgehaald en vervangen door andere. Misschien was het een goedbedoelde poging om andermans kinderen ‘eigen’ te maken of ze het gevoel te geven dat ze gewenst waren maar laten we niet vergeten dat van ‘wezen’ geen sprake was. Immers, voor de Nederlandse wet is een ‘wees’ iemand wiens ouders allebei zijn overleden. Onder de uitvoering van de adoptiewet hadden de meeste geadopteerden biologische ouders die onwillig of onmachtig waren en in sommige gevallen onbekend. Toch zouden zij altijd de eerste ouders blijven.’

‘Over ontwikkelingsgerichte stimulatie leerden wij toen nog niet. In die tijd was de overtuiging dat kinderen zich vanzelf ontplooiden. Baby’s die erg onrustig waren kregen kalmerende middelen toegediend, zoals diazepam. In de kliniek hield één arts van buiten het tehuis toezicht op de gezondheid van de kindjes en wij veronderstelden dat zij wist wat goed was. Je kende je eigen plek en vakkundigheid en respecteerde het gezag en de specialisatie van je meerderen. Nergens moest je je mee bemoeien en als je je toch eens uitsprak, kon je zomaar op staande voet worden ontslagen. De leidinggevenden waren streng in de leer. De nonnen waren hen voorgegaan met hun ijver en toewijding, ingegeven door Gods wil. Iedereen werd dag en nacht gecontroleerd. Alles moest spik en span zijn.’

‘Ik voelde me overdonderd toen mijn dochter aan mij vroeg waar de onbekende naam op haar inentingsboekje vandaan kwam. Als kind had ze het etiket losgepeuterd. Blijkbaar had ze toen mijn doopnamen gelezen. Ze heeft er heel lang mee rondgelopen. Ze had die gegevens nooit mogen krijgen. Mij was bij de afstand namelijk beloofd dat mijn identiteit beschermd zou worden. Dat is dus niet gebeurd.’

‘Mijn vader dronk teveel, huilde veel en vaak en leed aan allerlei complexen. Hij kreeg medicatie en behandelingen, maar het mocht niet baten. Vind ik dat ik tekort ben gekomen? Nou ja, ik had wel een andere jeugd gewenst. Ik denk dat de zoektocht naar mijn moeder wel mede is ingegeven door mijn jeugd. Ik was wanhopig en dacht: ‘Waar ben ik in godsnaam terechtgekomen?’ ’

‘Het ergste van alles vind ik dat ik onder druk van alles wat niet mocht worden gezegd van de weeromstuit mijn eigen geboorteouders ging afwijzen. Als iemand naar ze vroeg hoorde ik mezelf zeggen: ‘Ze hebben me afgestaan’. Daar zat geen enkel gevoel meer in. Ik had me volledig losgekoppeld. Zie dat maar eens goed te krijgen.’

‘Wij kregen te horen dat we beslist niet naar onze zus op zoek mochten gaan. Ons werd verteld dat het een speciaal dossier betrof. Dat kon een paar dingen betekenen. Het kind was verwerkt door iemand die in de positie was geweest zijn sporen uit te wissen. Maar ook bestond de mogelijkheid dat sprake was van een illegale adoptie. Het zou kunnen gaan om een zogenaamd dossier onder X. Naar Frans model is uit Nederland in de jaren vijftig en zestig een onbekend aantal baby’s illegaal geadopteerd naar landen als Duitsland en België. De geboorte van het kind werd uit de gemeentelijke archieven gehaald, alsof het nooit was geboren. Deze kinderen werden door zogenaamd goedwillende adoptieouders voor veel geld uitgeleend aan lieden die zich bezighielden met kinderhandel en pornografische praktijken. Er kan natuurlijk een logische verklaring zijn die niet samenhangt met schimmige praktijken. Toch blijft het een opmerkelijke zaak.’

‘Hoe ouder ik werd, hoe lastiger mijn vader het vond om in mijn behoeften te voorzien. Van hem wilde ik veiligheid en intimiteit. Dat laatste ging hij uit de weg. Het was onbekend terrein voor hem. Bij de geboorte is hij weggenomen van zijn moeder en later in het adoptiegezin is hij blijkbaar nog heel veel meer tekort gekomen. Het is bizar dat het heeft kunnen gebeuren. Er was geen toezicht op zijn welbevinden als kind bij zijn adoptieouders. Op hun beurt kregen zij geen enkele nazorg of begeleiding.
Het was een onmogelijke opgave voor mijn vader om mij te geven wat hem in zijn jeugd niet is toegekomen. Zo spontaan als hij zich in een mensenmenigte kan storten, zo verkrampt raakt hij als het op echte verbinding aankomt.’

‘Door de afstandspraktijken in instellingen als Moederheil in de historische context te plaatsen kan geen herstel worden gepleegd, maar wel beter worden begrepen waarom bepaalde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Ook wordt duidelijk wie destijds verantwoordelijk waren voor de uitvoering van de wetgeving onder de Nederlandse generatie afstandsouders en afstandskinderen en welke gevolgen dit had voor alle betrokkenen. Een verwijzing naar ‘organisatorische problemen’, zoals dit aanvankelijk is gedaan bij de geschiedschrijving over Moederheil, volstaat niet meer.’

‘Deze hele geschiedenis is ontzettend complex. Het begon met de afstandsmoeders, van wie vermoedelijk velen zwaar getraumatiseerd zijn als gevolg van wat hen is overkomen. Voor de titel Bekneld in de scharnieren van de tijd (2017) is gekozen omdat afstandsmoeders in de gesprekken aangaven dat zij – als ze een aantal jaren later voor de keuze hadden gestaan – hun kind hoogstwaarschijnlijk niet hadden afgestaan. Blijkbaar viel voor ongehuwd zwangere vrouwen in de periode vanaf de invoering van de Adoptiewet tot het midden van jaren zeventig niet zoveel te kiezen. Vrouwen geven aan dat zij nadrukkelijk dwang hebben ervaren bij de afstand ter adoptie. Het vereist nader onderzoek om dit scherper in beeld te brengen.’

‘Of je geboorteouder, adoptieouder of geadopteerde bent, er is sprake van verlies. Je hebt een kind  afgestaan, bent geconfronteerd met ongewilde kinderloosheid, of je hebt je geboortefamilie verloren. Waar verlies is, is rouw. Voor geadopteerden kan het moeilijk zijn hulp te vragen als zij wankelen in het bestaan. Ten eerste hebben ze vaak geen woorden voor wat hen als baby en peuter is overkomen. Daarnaast is het bovengemiddeld spannend hulp te vragen als je je zo kwetsbaar en onzeker voelt. Het vraagt een geoefend oog en uitmuntende vaardigheden om hier doorheen te kunnen kijken en contact te maken met het gekwetste kind dat verdriet heeft over iets waarvoor geen woorden bestaan.’

‘Een pasgeboren baby wil zich verbinden met zijn moeder, of met beide ouders. Als die er niet zijn of als je zo wordt gepijnigd dat je niet meer durft, laat dat diepe sporen na. Voor veel afstandsbaby’s geldt dat zij na de geboorte de verbinding met hun ouders en andere affectieve relaties hebben gemist. Sommigen hebben ook nog pijnprikkels ondergaan of ze zijn anderszins mishandeld of verwaarloosd. Dat weten we nu pas. Wat betekent dat voor hun eigen generatie en voor de generatie die zij zelf voortbrengen?’

‘Inmiddels is bekend dat het aantal binnenlandse adopties over de periode 1956-1984 iets meer dan 15.000 bedraagt. Waar zijn de andere 10.000 kinderen gebleven? Waar en hoe zijn eventuele sterfgevallen geregistreerd? Zijn de overlevende, gewezen afstandskinderen op de hoogte van hun status? Weten de moeders dat hun kind nooit is afgestaan maar als verondersteld weeskind in een tehuis of internaat is terechtgekomen of als pleegkind in een of meerdere gezinnen zijn jeugd heeft doorgebracht? Over alle kinderen die vanaf het begin van de 20e eeuw tot voor 1956 in Nederland zijn weggehaald bij hun moeders na de geboorte of zelfs later nog als peuter of kleuter, bestaan veel geruchten, verhalen en vermoedens maar grondig onderzoek is nog nooit gedaan.’

0

Voor een optimale werking van de website maakt de website gebruik van cookies.